Regelgeving Reddingsvesten
ES-TRIN Artikel 13.08, lid 2-3: Reddingsboeien en reddingsvesten
2) Aan boord van vaartuigen moet zich voor iedere persoon die zich regelmatig aan boord bevindt, een voor hem persoonlijk geschikt, automatisch opblaasbaar reddingsvest bevinden dat onder handbereik moet zijn en dat voldoet
a) aan de Verordening (EU) 2016/4251 in de gewijzigde versie; of
b) aan de internationale code betreffende de reddingsmiddelen (LSA), paragraaf 2.2.
Aan de in bovenstaand onderdeel a genoemde eisen wordt geacht voldaan te zijn wanneer het reddingsvest voldoet aan de Europese normen EN ISO 12402-2 : 2020, EN ISO 12402-3 : 2020 en EN ISO 12402-4 : 2020.
Voor kinderen zijn ook harde reddingsvesten toegelaten, die aan de onderdelen a of b voldoen.
3) Reddingsvesten moeten zijn getest overeenkomstig de indicaties van de fabrikant.
Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen:
Behalve de reddingsboeien als bedoeld in artikel 13.08, eerste lid, moeten voor alle leden van het boordpersoneel individuele reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, onder handbereik beschikbaar zijn.
Voor de leden van het boordpersoneel die geen taak volgens de veiligheidsrol hebben, zijn ook harde of halfautomatisch opblaasbare reddingsvesten die voldoen aan de onderdelen a of b van artikel 13.08, tweede lid, toegestaan.
Behalve de reddingsmiddelen als bedoeld in het eerste en tweede lid, moeten voor in totaal 100% van het ten hoogste toegelaten aantal passagiers individuele reddingsmiddelen als bedoeld in artikel 13.08, tweede lid, aanwezig zijn.
Ook harde of halfautomatisch opblaasbare reddingsvesten die voldoen aan de onderdelen a of b van artikel 13.08, tweede lid, zijn toegestaan.
Voor pleziervaartuigen gelden de volgende eisen:
Artikel 13.08, waarbij niet-opblaasbare reddingsvesten ook voor volwassenen zijn toegestaan.
BPR, Artikel 1.08, Gebruik van reddingsvesten
1) De bemanningsleden en de andere personen aan boord van een schip bestemd voor bedrijfsmatig vervoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet, moeten reddingsvsten dragen overeenkomstig artikel 10.05, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, zoals opgenomen in bijlage 1.1 van de Binnenvaartregeling.
a) bij het van of aan boord gaan, voor zover er gevaar voor in het water vallen bestaat,
b) bij het verblijven in de bijboot,
c) bij werkzaamheden buiten boord, dan wel
d) bij verblijf en werkzaamheden aan dek en in het gangboord, indien verschansingen van ten minste 90 cm hoogte niet aanwezig zijn of relingen niet doorlopend zijn geplaatst.
2) Werkzaamheden buiten boord mogen uitsluitend bij stilliggende schepen worden uitgevoerd en uitsluitend indien van de overige scheepvaart geen gevaar te verwachten valt.
50N Drijfhulpmiddel (ISO 12402-5)
Geen reddingsvest.
Voor geoefende zwemmers op korte afstand van de over en in de buurt van eventuele helpers.
Niet veilig bij bewusteloosheid.
100N Reddingsvest (ISO 12402-4)
Voor gebruikers op het binnenwater en op beschutte wateren.
Beperkt veilig bij bewusteloosheid (kleding afhankelijk).
150N Reddingsvest (ISO 12402-3)
Voor gebruik op alle binnenwateren, open water of kustwater.
Beperkt veilig bij gebruik van (zware en/of) waterdichte kleding.
275N Reddingsvest (ISO 12402-2)
Voor gebruikers op volle zee met extreem zware omstandigheden.
In nagenoeg alle gevallen veilig bij bewusteloosheid, ook met zware en/of waterdichte kleding.
Reddingsvest Zeevaart (SOLAS MED - 96/98/EC)
Minimaal volgens de normen van SOLAS.
Blokvest 175N drijfvermogen.
Automatisch opblaasbaar reddingsvest 150N - 275N drijfvermogen, uitgevoerd met een geheel dubbel systeem. 1 drijflichaam met 2 kamers, 2 CO2 patronen en 2 mechanismes.
Deze vesten zijn geschikt voor gebruikers op volle zee bij extreem zware omstandigheden.
Gebruik is bij bewusteloosheid, ook met zware kleding, in nagenoeg alle gevallen veilig.