Regelgeving Reddingsvlot
ES-TRIN Artikel 19.09, lid 5 (Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen) - Reddingsmiddelen
Onder „gemeenschappelijke reddingsmiddelen” vallen ook bijboten als bedoeld in artikel 13.07 en reddingsvlotten.
Reddingsvlotten moeten:
a) over een opschrift beschikken waaruit de bestemming blijkt en het aantal personen waarvoor ze geschikt zijn;
b) voldoende zitruimte bieden voor het toegestane aantal personen;
c) een drijfvermogen in zoet water hebben van ten minste 750 N per persoon;
d) voorzien zijn van een met het passagiersschip verbonden touw om wegdrijven te vermijden;
e) van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie en olieproducten, alsmede tegen temperaturen tot 50 °C;
f) drijvend een stabiele ligging kunnen aannemen en behouden en voorzien zijn van geschikte middelen waaraan het aangegeven aantal personen zich vast kunnen houden;
g) een fluorescerende oranje kleur hebben dan wel fluorescerende naar alle zijden zichtbare vlakken hebben van ten minste 100 cm2, en
h) vanaf de plaats waar ze opgesteld zijn door één persoon snel en veilig over boord kunnen worden gezet dan wel vanzelf boven drijven, en
i) zijn voorzien van passende inrichtingen voor evacuatie van de in artikel 19.06, lid 8, bedoelde evacuatieruimten naar de reddingsvlotten, indien de verticale afstand tussen het dek van de evacuatieruimten en het vlak van grootste inzinking groter is dan 1 m.